fbpx

Podcast #008 – Mintje Groot Nibbelink – Complexe scheidingen in het sociaal domein

Welke dynamieken spelen er allemaal bij conflicten tussen ouders die zijn gescheiden? En hoe kun jij als jeugd- en gezinsprofessional in gesprek gaan met ouders zonder zelf onderdeel te worden van het conflict? Als jij in je werk ook regelmatig te maken hebt met ouders die gescheiden zijn en hun kinderen en je wilt tips over hoe in te gesprek te gaan met deze ouders, luister dan deze podcast met Mintje Groot Nibbelink.

Veel luister plezier!

Schrijf je in voor de opleiding ‘Complexe scheingen’

Ben je geïnspireerd door het gesprek van Mintje Groot Nibbelink en Margreet Timmer en wil je deelnemen aan de opleiding ‘Complexe scheidingen’?

Meld je dan direct aan!

Hoe zorg je, als professional, voor een goede start van een gesprek met een kind over heftige gebeurtenissen?!

Mijn naam is Margreet Timmer, eigenaar van TIMM Consultancy. Ik geef vaak training aan professionals over het in gesprek gaan met kinderen over heftige onderwerpen zoals verwaarlozing en mishandeling. Als voormalig pedagogisch medewerker en gezinsvoogd ken ik de praktijk en weet ik ook hoe ingewikkeld dat soms kan zijn. Ook nu werk ik nog met kinderen. Ik werk als Kindbehartiger en praat met hen over de scheiding van hun ouders en de strijd die zij nu, soms jaren later, nog steeds voeren. Ik onderzoek samen met de kinderen hoe zij de situatie ervaren en wat zij hierover terug willen koppelen aan hun ouders. Dat doe ik door heel veel verschillende werkvormen te gebruiken.

Maar het begint met contact maken. En daar worstelen professionals vaak mee. Wat mag je wel en niet vertellen? Hoe maak je duidelijk wat je komt doen en wat een kind van jou mag verwachten?

Ik vind het erg belangrijk dat je eerst informatie geeft voordat je informatie van een kind vraagt. De kaders moeten duidelijk zijn. Daarvoor moet een kind eerst een aantal dingen van jou weten. Wie ben jij? Wat houdt jouw werk in? Hoe vaak ga je elkaar zien? Wat gebeurt er na het gesprek?

Maar ook is het belangrijk dat het kind begrijpt binnen welk kader het gesprek plaats vindt. Wat is de reden, de aanleiding van het gesprek en met welk doel gaan jullie in gesprek? Wat vinden papa en mama hiervan? Hierin moet je transparant zijn en zonder verborgen agenda werken.

Een goed start van het gesprek zorgt ervoor dat het kind meer ruimte zal ervaren om te vertellen over hoe het thuis gaat, wat het kind fijn vindt, wat niet en welke veranderwensen het kind heeft. Om je te helpen om de start van het gesprek vorm te geven heb ik 6 gesprekskaarten ontwikkeld die je hierbij kunnen helpen.

Bij binnenkomst van het kind zorg je ervoor dat de kaarten al op tafel liggen. De kleuren zullen de kinderen nieuwsgierig maken. Ze mogen ze even bekijken of lezen wat erop staat. Vervolgens krijgen zij de regie en bepalen zij in welke volgorde je de kaarten bespreekt. In het begin is het een beetje onwennig dat je steeds in een andere volgorde de introductie doet maar het went echt!

Middels de zes kaarten krijgt het kind informatie over het doel van het gesprek, wie de hulpverlener is, wat jullie gaan doen, wat er daarna gebeurt, oefen je het vertellen van complete verhalen (narratief) en kun je met het kind afspraken maken voor het gesprek.

Ik zal per kaart benoemen wat je zou kunnen vertellen:

Wie ben jij? Op een kindvriendelijke manier leg je aan het kind uit wie je bent, wat je werk inhoudt en waarover je met kinderen praat. Door voorbeelden te geven van de onderwerpen die je met kinderen bespreekt laat je aan het kind merken dat het voor jou onderwerpen zijn waarover gesproken mag worden. Het normaliseert de onderwerpen ook. Je geeft een signaal af dat er meer kinderen zijn die meemaken dat hun ouders ruzie maken, of zijn gescheiden of te boos worden op hun kinderen of te moe of in de war zijn om goed voor hun kinderen te zorgen. Zorg dat bij de voorbeelden die je noemt ook een voorbeeld zit van het onderwerp waar je met dit kind over wilt spreken. Check bij het kind of zij nog meer over jou willen weten of ze vragen aan jou hebben.

Wie ben ik? Bij deze kaart nodig je het kind uit om iets over zichzelf te vertellen. Vaak vertellen ze je nogmaals hun naam, hoe oud ze zijn, of zo broers en zussen hebben en of ze op een sport zitten. Je neemt er één onderwerp uit en vraagt het kind om daar alles over te vertellen. Bijvoorbeeld als het kind heeft verteld dat ze van turnen houdt, vraag je welk toestel ze leuk vindt. Als dat bijvoorbeeld de lange mat is dan vraag je of ze je alles, van het begin tot het eind, wil vertellen over de laatste keer dat ze oefeningen op de mat mocht doen. Zo oefen je met een neutraal onderwerp het vertellen van verhalen en merk je of een kind een gebeurtenis op chronologische volgorde kan vertellen.

Wat gaan we doen? Leg kort uit wat jullie gaan doen. Dit is natuurlijk anders als je het kind eenmalig spreekt of dat het kind vaker bij jou zal komen. Als het kind één keer komt leg je uit welke werkvorm je gaat gebruiken. Bijvoorbeeld dat je de Drie Huizen gaat gebruiken om samen te praten over de prettige gebeurtenissen in hun leven, nare gebeurtenissen en situaties en de veranderwensen van het kind. Of dat je met behulp van de sociocards wilt onderzoeken welke helpers een kind in zijn/haar leven heeft.

Waarom? Bespreek de aanleiding en het doel van het gesprek. Welke hulpvraag hebben ouders gesteld? En is het kind daar ook betrokken geweest bij het opstellen van de hulpvraag? Weet hij/zij waarom papa en mama hulp gezocht hebben, of waarom er een onderzoek gedaan wordt door Veilig Thuis of waarom het wijkteam betrokken is? Denk van tevoren goed na over het doel van het gesprek. En houd er rekening mee dat je het doel klein maakt. Zeker als je onderzoek doet. Te veel doelen maakt dat je te gehaast bent en soms ook alle kanten opschiet met je vragen waardoor het kind de draad kwijtraakt. Vraag je ook of op welke manier het kind baat heeft bij het gesprek met jou? Als je bezig bent met het maken van een veiligheidsplan kun je dat bijvoorbeeld als volgt uitleggen; “We hebben met papa en mama gesproken over de ruzies thuis, ruzies waarbij papa en mama tegen elkaar schreeuwen en nare dingen zeggen maar soms ook elkaar duwen en slaan. Papa en mama weten niet goed hoe ze moeten stoppen. Daarom hebben we met elkaar afgesproken dat er mensen nodig zijn om te helpen. Daarvoor gaan we samen een plan maken. Papa en mama hebben gezegd dat ze opa en oma ook willen vragen. Maar ze willen ook weten hoe jullie vinden hoe het gaat en wat jullie ideeën zijn over wat er anders moet en kan.” Het is dan wel belangrijk dat je van te voren goed met ouders hebt besproken wat de rol van de kinderen zal zijn. En dat er een commitment is, dat ouders ook echt willen weten hoe de kinderen alles ervaren.

Wat gebeurt er hierna? Leg uit wat de vervolgstappen zijn. Ga je na het gesprek samen een terugkoppeling geven aan ouders of komt dat later. Als het om een eenmalig gesprek gaat laat dan niet te veel tijd zitten tussen het gesprek en de terugkoppeling. Het kind is dan alweer een beetje kwijt wat hij/zij gezegd heeft. Maar ook zijn ouders vaak erg benieuwd wat het kind verteld heeft. Ik vind het altijd weer mooi om te zien hoe ouders reageren op het verhaal van hun kind. Het kan confronterend zijn en ook ontroerend. Het is helpend voor ouders om van tevoren door te nemen hoe het gesprek zal verlopen en wat er van hen verwacht wordt.

Regels en afspraken Jonge kinderen kennen nog niet alle regels die wij hanteren rondom communicatie. Voor hen is ook niet altijd duidelijk wat we van hen verwachten. Maak daarom in het begin van het gesprek de kaders duidelijk door een aantal afspraken te maken of regels uit te leggen.

  • “Als je het antwoord op mijn vraag niet weet, dan zeg je dat gewoon, je hoeft niet te raden naar het antwoord.” Dit voorkomt dat kinderen gaan gokken of raden. Een kind kan zich namelijk onder druk voelen staan om antwoord te geven. Maar kan ook gaan gokken om aardig gevonden te worden. De uitleg ondersteun je daar een testvraag. Bijvoorbeeld; “Als ik je vraag hoe oud ik ben, wat zeg je dan?” Leg uit dat het helemaal niet erg is als het kind het antwoord op een van je vragen niet weet. Op school is het misschien vervelend als je het antwoord op de vraag van juf of meester niet weet, maar hier geeft dat niets.
  • “Als ik een woord gebruik die je niet kent, niet begrijpt, dan zeg je dat.” Testvraag; “Als ik je vraag of je ook Coq au vin lust, wat zeg je dan?” Dit kan echt een moeilijk woord zijn voor kinderen en supermoeilijke woorden zul je niet snel gebruiken maar wees je ervan bewust dat we best vaak moeilijke woorden gebruiken. Pas je taal daarom aan.
  • “Als ik iets zegt dat niet klopt, moet je het ook zeggen.” Testvraag: “Als ik zeg dat je een mooie blauwe trui aan hebt, wat zeg je dan?” Je legt uit dat het kind mag zeggen wanneer jij iets zegt dat niet goed is. Ze mogen je verbeteren.

Spreek ook met het kind af dat je soms vragen stelt over hoe het in het echt is gegaan en dat je ook vragen stelt over hoe ze graag willen dat het is, wat ze wensen. Jij zult dat erbij zeggen. Als het gaat over hoe het in het echt gaat mogen ze er geen dingen bij verzinnen.

Deze regels zijn gebaseerd op de regels die o.a. bij taxatiegesprekken gebruikt worden. Pas de regels en afspraken aan bij het gesprek dat je voert. Onderschat daarbij niet de communicatiecodes die wij allemaal kennen maar kinderen vaak nog niet.

Het doornemen van de kaarten moet niet langer dan 5 tot 10 minuten in beslag nemen. Daarna moet je over gaan op het daadwerkelijke onderwerp waarover je het wilt hebben. Dit is natuurlijk afhankelijk van de leeftijd van het kind. Bij jonge kinderen zul je je nog beter na moeten denken over de woorden die je gebruikt en moet het vaak nog korter. Gebruik dan niet te veel woorden. 

Hopelijk kun je bovenstaande goed gebruiken in je gesprekken met kinderen. Laat ons gerust weten op welke manier je bovenstaande in je werk kunt toepassen!